Plan: | Loevenhoutsedijk sportpark, Overvecht |
---|---|
Status: | vastgesteld |
Plantype: | bestemmingsplan |
IMRO-idn: | NL.IMRO.0344.BPLOEVENHOUTSPORTO-VA01 |
De directe aanleiding voor de bouw van de nieuwe sporthal, is de noodzaak voor de bouw van twee nieuwe gymzalen voor het Trajectum College, de VMBO-school aan de Vader Rijndreef. Deze gymzalen zouden gebouwd worden in het kindercluster Teun de Jagerdreef, maar de inpassing van deze gymzalen was daar niet optimaal. Een sporthal op Sportpark Loevenhoutsedijk geeft voor het Trajectum College veel meer sportieve mogelijkheden, vooral omdat de hal in drie zaaldelen gesplitst kan worden. De nieuwe sporthal ligt bovendien dichtbij de school, leerlingen kunnen snel en veilig de sporthal bereiken.
De tweede aanleiding was de wens van korfbalvereniging Synergo om ooit een sporthal te realiseren op het sportpark, zodat zij in het binnensportseizoen en in het buitensportseizoen op één locatie zouden kunnen sporten. Voor een korfbalvereniging is dat een optimale sportaccommodatie.
Voor de gemeente speelt daarnaast mee dat in de wijken Noord-West/Overvecht sprake is van een tekort aan binnensportaccommodaties. De nieuwe sporthal betekent een uitbreiding van capaciteit voor andere binnensporten en buurtactiviteiten.
Om de sporthal in te kunnen passen is het nodig om bestaande sportvelden iets te verleggen, waarbij bovendien de korfbalvelden aangepast kunnen worden aan de nieuwe (kleinere) maatvoering voor korfbalvelden, die over een aantal jaren verplicht wordt door de Koninklijke Nederlandse Korfbalbond. De bestaande buitenkleedkamers en het clubgebouw van Synergo worden gesloopt. Deze functies worden teruggebracht in de nieuwe sporthal.
Voor de ontwikkeling van de sporthal is de bouwenvelop Loevenhoutsedijk door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 20 december 2016. Hierin zijn ruimtelijke en functionele uitgangspunten opgenomen.
De hoofddoelstelling van het bestemmingsplan is de realisering van een nieuwe sporthal ten behoeve van het bewegingsonderwijs en de korfbalvereniging planologisch-juridisch mogelijk te maken. Het plan richt zich daarnaast op beheer van de bestaande situatie en het vastleggen van de functionele en ruimtelijke structuur.
In het plan zijn de wijzigingen in de wet- en regelgeving en het beleid van de verschillende overheden op het gebied van de ruimtelijke ordening, die zich in de loop van de tijd hebben voorgedaan, verwerkt. Met dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij recent tot stand gekomen bestemmingsplannen binnen de gemeente, om de uniformiteit van bestemmingen en regelgeving te bevorderen.
Het plangebied ligt in de wijk Overvecht, grenzend aan het woonbuurtje Hoogstraat. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Loevenhoutsedijk, de Brailledreef, het spoor Utrecht-Amersfoort en het woonbuurtje rond de Hoogstraat. Zie afbeelding 1 en 2.
Afbeelding 1: Globale ligging plangebied
Afbeelding 2: Begrenzing
Binnen het gebied vigeren de volgende bestemmingsplannen:
Bestemmingsplan | Vastgesteld door raad | Onherroepelijk | |
Overvecht Noordelijke stadsrand | 21 juni 2012 | 5 november 2012 |
Op het sportpark geldt de bestemming Sport, binnen deze bestemming zijn bouwvlakken aangegeven waarin bebouwing mogelijk is. De bebouwing van de sporthal past niet in dit bebouwingsvlak, zowel de plaats, de bouwhoogte als het bebouwingspercentage worden overschreden. Daarnaast is in het bestemmingsplan een aanduiding opgenomen voor parkeerterrein; hierin past het toekomstige parkeerterrein niet. Ook de geplande wijkactiviteiten zijn strijdig met het bestemmingsplan.
Het groen en water rondom het sportpark is bestemd als Groen - 1 en de overige ruimte als Verkeer. De openbare ruimte is bestemd als Verkeer en Verblijf. De gronden zijn onder andere bestemd voor verkeer en verblijf, speelvoorzieningen, afvalinzamelvoorzieningen, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Bebouwing is slechts zeer beperkt mogelijk (maximaal 6m2).
Afbeelding 3: Vigerend bestemmingsplan
Hoofdstuk 2 bevat de beschrijving van de relevante beleidskaders In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bestaande situatie. Onder andere de ruimtelijke structuur, de historische ontwikkeling van het gebied en de beschrijving van de aanwezige functies worden hier beschreven. In hoofdstuk 4, de planbeschrijving, worden de mogelijkheden die het plan biedt aan de toekomstige ontwikkelingen beschreven. De diverse noodzakelijke onderzoeken ten aanzien van bijvoorbeeld milieuaspecten komen in hoofdstuk 5 aan bod. Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 komt de juridische toelichting op de planregels aan bod.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna ook: SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft het kabinet een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Het kabinet schetst hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. In de structuurvisie worden belangrijke accenten geplaatst op het brede gebied van ruimtelijke ordening en bestuurlijke verantwoordelijkheden, die sterk verschillen met het voorgaande nationaal ruimtelijke beleid. Daarbij wordt het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid.
De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak, de structuurvisie voor de Snelwegomgeving en de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de Agenda Landschap, de Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.
De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, staan in de AMvB Ruimte (ook wel bekend als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening – Barro). De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen moeten gemeenten zich houden aan bij AMvB of verordening gestelde regels. Nieuwe of gewijzigde regels moeten binnen een bepaalde termijn in de bestaande bestemmingsplannen worden verwerkt. Dit kan betekenen dat gemeenten bestemmingsplannen moeten aanpassen aan de nieuwe AMvB Ruimte. De AMvB Ruimte is in december 2011 in werking getreden.
Afbeelding 4: Uitsnede SVIR
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2012)
Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde Structuurvisie (SVIR) vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat om de volgende nationale belangen: rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte).
De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, vastgesteld op 30 december 2011) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (de artikelen worden later aan het Barro toegevoegd) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Voor één onderwerp geregeld in dit besluit, voorziet het besluit niet in de (definitieve) begrenzing. Dit betreft de EHS. Ten aanzien van deze begrenzing is bepaald dat de provincies die grenzen (nader) bepalen.
Een deel van het Barro is gebaseerd is op eerdere PKB's en beleidsnota's die in de SVIR worden herbevestigd. Deze onderdelen kunnen na vaststelling van de structuurvisie de procedure volgen en vervolgens in werking treden. Het betreft de volgende onderdelen:
Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.
Het plangebied is in het Barro aangewezen als gebied voor erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde in verband met de Romeinse Limes. In het bestemmingsplan wordt hier rekening mee gehouden door onder andere de archeologische waardevolle gebieden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' te geven. Het Barro vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.
Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) (2012)
De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat overheden op grond van het Bro een nieuwe stedelijke ontwikkeling standaard moeten motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen: de treden. Deze drie stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent. Dit gezag draagt de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden, waaronder het bestemmingsplan.
De drie treden van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'
Eerste trede
Op de eerste trede van de ladder voor duurzame verstedelijking wordt de regionale ruimtevraag (kwantitatief én kwalitatief) bepaald voor wonen, werken, detailhandel en overige voorzieningen. Het gaat om de ruimtevraag waarin elders in de regio nog niet is voorzien: eventuele andere initiatieven in de regio, zoals geplande woningbouwlocaties of een binnenstedelijke herstructurering, dekken immers al (deels) de regionale ruimtevraag. Ook leegstand speelt een rol in de bepaling van de vraag. De vraag is gelijk aan de behoefte minus het aanbod (in plannen én in de bestaande voorraad met eenzelfde kwaliteit als de gevraagde kwaliteit). Wanneer de regionale ruimtevraag in beeld is, kan worden beoordeeld of een voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Alleen wanneer de behoefte in trede 1 is aangetoond, is trede 2 aan de orde.
Tweede trede
Op de tweede trede wordt bekeken of binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte, zoals aangegeven in trede 1, kan worden voorzien. Oftewel: kan de beoogde ontwikkeling plaatsvinden binnen het stedelijk gebied door een andere bestemming van een gebied, door herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden. Hiertoe moet worden bepaald wat de beschikbare ruimte is (kwantiteit) en wat de (financiële) haalbaarheid van de intensivering is (kwaliteit).
De ruimtevraag moet dus bij voorkeur worden opgevangen in het bestaand stedelijk gebied. Het zal nodig zijn om op basis van de gebiedsspecifieke situatie te bepalen wat ervaren wordt als stedelijk gebied. In het algemeen kan het bestaande stedelijk gebied worden gedefinieerd als het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Sommige provincies hebben in een verordening de afbakening van het bestaand stedelijk gebied in woord en/of kaartbeeld vastgelegd, waaronder de provincie Utrecht.
Derde trede
Als herstructurering of transformatie van bestaand stedelijk gebied onvoldoende mogelijkheden biedt om aan de regionale, intergemeentelijke vraag te voldoen, is trede 3 aan de orde.
De gebruiker wordt geholpen om de meest duurzame ruimte te vinden voor verstedelijking buiten het (bestaand) stedelijk gebied. Het (potentiële) aanbod aan modaliteiten is sturend. De beantwoording van twee vragen staat centraal:
1. Welke plekken zijn of worden op korte termijn multimodaal ontsloten op een wijze die past bij de schaal van de ontwikkeling?
2. Wat is een optimale afstemming tussen de resterende regionale vraag en het aanbod aan passende (in potentie) multimodaal ontsloten of op korte termijn te ontsluiten locaties?
Het antwoord op deze vragen is het eindresultaat van de toepassing van de ladder: zicht op (in potentie) multimodale locaties die passen bij de schaal en de omvang van de ontwikkeling.
Gebiedsontwikkeling per regio (betekenis voor Utrecht)
Het kabinet heeft voor 9 regio's in Nederland opgaven van nationaal belang uitgewerkt. Het gaat hierbij om doelen die voor Rijk en regio van belang zijn. Voor Utrecht geldt daarbij dat Utrecht belangrijk is als het gaat om de verbinding van autowegen, spoorwegen en vaarwegen. Station Utrecht Centraal heeft daarbij een centrale rol. Ook speelt de regio Utrecht een belangrijke rol bij de verdere ontwikkeling van de topsector Life Sciences.
Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de huisvesting van scholen in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs. Voor de financiering hiervan krijgen zij jaarlijks een bijdrage uit het Gemeentefonds. Naast nieuwbouw en uitbreiding van schoolgebouwen omvat onderwijshuisvesting ook de gymnastiekvoorzieningen. Bij de planning van onderwijsvoorzieningen en het maken van onderwijshuisvestingsbeleid wordt in samenwerking met de schoolbesturen gestreefd naar een aanbod dat aansluit bij de feitelijke en verwachte behoefte en toekomstige ontwikkelingen in de stad. Daarbij wordt gestreefd naar een optimaal gebruik van de gebouwen, afgestemd op de mogelijkheden in de specifieke lokale situatie.
Het Trajectum College sportte tot voor kort in gymzalen aan de Teun de Jagerdreef. Op deze locatie is als onderdeel van het Masterplan Primair Onderwijs nieuwbouw gepleegd voor Kindercluster Teun de Jagerdreef, waarin onder andere twee basisscholen en twee gymzalen voor het Primair Onderwijs werden opgenomen. Oorspronkelijk zouden de gymzalen voor het Trajectum betrokken worden bij deze nieuwbouw maar de inpassing van dit bouwvolume bleek niet optimaal. De locatie Sportpark Loevenhoutsedijk is een zeer goed passend alternatief, dat een aantal voordelen met zich meebrengt: De sporthal biedt door het grote volume (24 m. x 44 m.) meer mogelijkheden voor het gymnastiekonderwijs; ook als de school groeit, kunnen alle gymnastiekuren op één locatie worden verzorgd. Hierdoor is de inzet van de docenten zeer efficiënt. De locatie ligt op zeer korte afstand van de school, waardoor de reistijd voor de leerlingen minimaal en de route veilig is.
Op Sportpark Loevenhoutsedijk speelt de korfbalvereniging Synergo, een vereniging van circa 380 leden. Synergo heeft een clubgebouw op het sportpark en speelt in het zomerseizoen op de velden. In het winterseizoen wijkt zij uit naar Sporthal De Dreef in Overvecht. De club is groeiende en zeer ambitieus op sportief gebied, ook wil zij een bijdrage leveren aan maatschappelijke issues in de wijk. De combinatie van sporthal en sportvelden op één locatie geeft de mogelijkheid de sportieve ambities en de plannen tot maatschappelijk ondernemen (buurtactiviteiten en buitenschoolse opvang) waar te maken.
Naast gebruik door onderwijs en korfbal, is de restcapaciteit van de hal beschikbaar voor de overige zaalsporten in Utrecht. De gemeente Utrecht krijgt tot 2030 te maken met een flinke bevolkingsgroei. De bevolking zal gemeentebreed groeien van 328 duizend inwoners in 2014 tot 395 duizend in 2030. Dit betekent een toename van 20%. Alle wijken krijgen te maken met een groei, met name van volwassenen (18 jaar en ouder). In de Nota Meerjarenhuisvestingsplan Binnensport 2015-2030 is op basis van deze bevolkingsprognose een behoefteberekening gemaakt voor de binnensport. Uitgaande van de norm van 1 sporthal op 15.000 inwoners zal in 2030 een tekort aan capaciteit zijn ter grootte van ca. 6 sporthallen. In de noordelijke wijken van Utrecht (Overvecht, West en Noord-West) is dit tekort het grootst (ca. 5 hallen). In de binnenstad is geen sporthalcapaciteit. De nieuwe sporthal op de Loevenhoutsedijk is gelegen nabij de wijken Binnenstad, Overvecht en Noord-West en levert een bijdrage aan het terugdringen van het (toekomstige) tekort.
De sporthal op de locatie Sportpark Loevenhoutsedijk zorgt voor een zeer efficiënte samensmelting van behoeften vanuit onderwijs en sport.
Tweede trede
De ontwikkeling voldoet aan de tweede trede, de ontwikkeling vindt binnen bestaand stedelijk gebied plaats.
Derde trede
Omdat de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied plaatsvindt is de derde trede niet aan de orde.
Conclusie
Het plan past binnen het geldende rijksbeleid.
PROVINCIAAL
Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 en Verordening 2013
De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (PRS) is op 4 februari 2013 vastgesteld. Bij de PRS is een Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (PRV) gemaakt. De structuurvisie geeft aan wat de provincie de komende jaren samen met haar partners wil bereiken op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling. De verordening zorgt voor de doorwerking van de structuurvisie naar de gemeenten. Op dit moment wordt gewerkt aan een herijking van het ruimtelijk beleid en de ruimtelijke regels.
De provincie moet aantrekkelijk blijven om te wonen, werken en recreëren. Het ruimtelijk beleidsvizier is daar op gericht. Het ruimtelijke beleid is gebaseerd op drie pijlers die bijdragen aan de aantrekkelijkheid, leefbaarheid en kwaliteit van de provincie:
Deze pijlers leiden tot de volgende twee belangrijkste beleidsopgaven; opgaven die nodig zijn om Utrecht aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats:
Conclusie
De bouw van de sporthal draagt bij aan de pijlers een duurzame leefomgeving en vitale dorpen en steden. De pijlers leiden tot twee belangrijke beleidsopgaven. De ontwikkeling van de sporthal behoort niet tot deze belangrijke beleidsopgaven er is immers geen sprake van woningbouw. Ondanks dat wordt de ontwikkeling van de sporthal wel binnenstedelijk opgelost en wordt de kwaliteit in het landelijk gebied behouden. De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 en Verordening 2013 vormen geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.
Collegeprogramma 'Utrecht maken we samen'
In april 2014 is het collegeprogramma 2014-2018 'Utrecht maken we samen' verschenen. Het collegeprogramma bevat doelstellingen voor de thema's:
Structuurvisie Utrecht 2015-2030
Voor de stad Utrecht is op 1 juli 2004 de Structuurvisie Utrecht 2015-2030 vastgesteld. In de structuurvisie zijn de gewenste toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen van de stad Utrecht beschreven. Daarbij wordt uitgegaan van drie kernkwaliteiten van de stad, die in de structuurvisie zijn uitgewerkt in drie perspectieven: De Markt, Het Podium en De Binnentuinen.
De perspectieven zijn deels vertaald naar ambities voor de korte en middellange termijn (2015) in het ontwikkelingsbeeld 2015. Van toepassing op het plangebied is het perspectief de Binnentuin.
Doelstelling binnen het perspectief de Binnentuin is:
Vitale Stadswijken, functiemenging in woonwijken (2013)
In de notitie 'Vitale Stadswijken, functiemenging in woonwijken' is uitgewerkt hoe binnen de woonwijken met functiemenging om zal worden gaan. Het doel van de notitie is de beleidsrichting aan te geven en randvoorwaarden te scheppen voor het faciliteren van meer functiemenging in woonwijken en het bieden van een toetsingskader voor initiatieven in afwijking op het bestemmingsplan.
Onder functiemenging wordt het mengen van woonfuncties met kleinschalige economische en niet-economische functies verstaan. Sport voorzieningen passen volgens deze nota in een woonwijk met meerdere functies.
Groenstructuurplan Utrecht 'Stad en land verbonden' (2007)
Gemeente Utrecht heeft een groenstructuurplan voor de periode 2007-2030 vastgesteld in 2007 ter behoud en ontwikkeling van de kwaliteiten van het stedelijk groen als onderdeel van een kwalitatief hoogstaand woon- en vestigingsklimaat. Het Groenstructuurplan van Utrecht geeft in hoofdlijnen de gebruiksfunctie, de bestemming, de beeldende rol, de ecologische betekenis en het onderhoudskarakter van de groenvoorzieningen in de stad aan. Dit kunnen bestaande voorzieningen zijn of voorzieningen die nog ontwikkeld gaan worden.
De visie voor het stedelijk groen gaat uit van de verbetering van de kwaliteit van het huidige stedelijke groenareaal, het realiseren van groene verbindingen naar de omringende landschappen en uitbreiding van het groene areaal om Utrecht.
De meest kansrijke en belangrijke onderdelen voor de ontwikkeling van de groenstructuur zijn:
In de visie op de stedelijke groenstructuur Utrecht 2030 zijn wenselijke groenverbindingen aangewezen. Deze verbinding lopen niet via het plangebied maar langs het nabij gelegen spoor.
Bomenbeleid Utrecht (2009)
De nota Bomenbeleid Utrecht is in 2009 vastgesteld. Een van de belangrijkste doelen van het Utrechtse bomenbeleid is een samenhangende bomenstructuur voor de stad te verbeteren en te ontwikkelen, gebaseerd op cultuurhistorische, ruimtelijke en ecologische uitgangspunten en milieu.
Voor 2030 zet de gemeente in op het behoud en de ontwikkeling van de bomenstructuur. Dit zal gebeuren door twee beleidsdoelstellingen:
Sinds 1 januari 2007 kennen alle gemeentelijke ruimtelijke plannen in de stad een bomenparagraaf. De bomenparagraaf biedt vanaf het begin en in alle fasen van een planproces de mogelijkheid een belangenafweging te maken over de gevolgen van een ruimtelijk plan voor bomen.
In het Bomenbeleid is voor elk profiel weergegeven welke soort bomen er staan en wat de plantwijze is. Naast het plangebied is een lijn van de bomenstructuur aanwezig. Het gaat om de bomen langs het nabij gelegen spoor. Deze bomen vallen onder het profiel 'ecologisch overig'. Dit is een bomenlijn in de stad die niet onder een ander profiel is onder te brengen, maar vanwege zijn ecologische waarde wel van belang is voor de stedelijke bomenstructuur. In het plangebied moeten een aantal bomen worden gekapt/verplaatst worden voor de bouw van de sporthal. Dit wordt nader beschreven in paragraaf 5.8.
Welstandsnota Utrecht 'De schoonheid van Utrecht' (2004)
In de Welstandsnota Utrecht "De schoonheid van Utrecht", welke in juli 2004 is vastgesteld, is geformuleerd op welke wijze het welstandsbeleid van de gemeente Utrecht uitgevoerd zal worden. Dit betreft vanzelfsprekend de welstandstoetsing van vergunningplichtige bouwwerken en toetsing op basis van de loketcriteria.
De nota, die verplicht is om welstandsbeleid te kunnen voeren, kent de volgende doelen:
Voor vergunningplichtige bouwwerken geldt het volgende:
Het plangebied is aangeduid met het beleidsniveau 'open'.
Verandering of handhaving van het bebouwingsbeeld is beide mogelijk, zowel naar structuur als architectuur maar met behoud van landschappelijke waarden. Dit betekent:
Gemeentelijk archeologiebeleid
Het gemeentelijk archeologiebeleid heeft tot doel bij te dragen aan de historische beeldvorming over Utrecht en zijn bewoners. Om dit doel optimaal te verwezenlijken vervult de gemeentelijke archeologische dienst een actieve rol. In het gemeentelijk archeologiebeleid wordt afhankelijk van de archeologische waarde, danwel de archeologische verwachtingswaarde zowel naar boven als naar beneden afgeweken van de algemene vrijstelling voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
In de op de gemeentelijke archeologische waardenkaart aangeduide gebieden waar een onderzoeksverplichting geldt, zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning gevraagd kunnen worden om resten uit het verleden op te sporen en zo nodig veilig te stellen. Binnen deze gebieden gelden voor bepaalde ingrepen en activiteiten een aantal vrijstellingen. In paragraaf 5.10 wordt verder ingegaan op de archeologische waarden in het plangebied.
Nota Stallen en Parkeren (2013)
De gemeenteraad heeft op 28 maart 2013 de Nota Stallen en Parkeren vastgesteld. Hiermee is het nieuwe parkeerbeleid van kracht. Met de uitwerkingsnota 'Parkeernormen Fiets en Auto' bepaalt de gemeente de benodigde capaciteit van het (fiets)parkeren. Voor de veiligheid, leefbaarheid en aantrekkelijkheid van Utrecht geeft de gemeente meer ruimte aan voetgangers en fietsers. Dit betekent dat er op sommige plekken op straat minder ruimte komt voor geparkeerde auto's. De gemeente stimuleert auto's om langs de rand van de stad te parkeren: in één van de drie herkenbare grote P+R terreinen, bij NS-stations en andere OV-knooppunten. Als stimulans voor binnenstedelijke ontwikkelingen, en daarmee voor een aantrekkelijke en bereikbare stad zijn de autoparkeernormen in betaald parkeergebied verlaagd. Ook schept de gemeente flexibiliteit door de vrijstellingsmogelijkheden van de parkeernormen te verruimen. Nieuw in de gemeentelijke aanpak is de verplichting om bij nieuwbouw, uitbreiding van bestaande gebouwen of in geval van een functiewijziging ook fietsenstallingen te realiseren. De parkeernormen hebben een bandbreedte, om optimale flexibiliteit en maatwerk te bieden bij de realisatie van bouwplannen.
De ontwikkeling moet voldoen aan de parkeernormen zoals opgenomen in de Nota Stallen en Parkeren. In paragraaf 4.2.3 wordt verder ingegaan op het parkeren in het plangebied.
Geluidnota Utrecht 2014-2018 (2014)
De Geluidnota Utrecht 2014-2018 is op 11 februari 2014 vastgesteld. Dit beleid gaat over het beheersen van geluidhinder bij toekomstige ontwikkelingen in Utrecht.
Bestaande knelpunten worden onderzocht en aangepakt in het kader van de EU-richtlijn Omgevingslawaai. De Geluidnota heeft alleen betrekking op weg-, rail- en industrielawaai; voor geluidhinder van bijvoorbeeld brommers, luchtvaart en buren is in deze nota geen specifiek beleid opgesteld. In de Geluidnota zijn de gemeentelijke bevoegdheden uitgewerkt, wordt aangegeven hoe met een aantal beleidsvrijheden wordt omgegaan en worden bestaande werkwijzen vastgelegd.
De belangrijkste regels uit de Geluidnota zijn:
Ook onderwerpen, die meer algemeen onder het begrip "een goede ruimtelijke ordening" vallen, zijn specifiek benoemd:
In paragraaf 5.2 wordt ingegaan op de geluidssituatie in het plangebied.
Nota Bodembeheerplan 2012-2022 'Grondig Werken 3' (2012 )
In 2012 is de Nota Bodembeheerplan 2012-2022 'Grondig Werken 3' vastgesteld. Het doel van deze Nota bodembeheer 2012-2022 is het beleidsmatig vaststellen van de voorwaarden waaronder grond en baggerspecie op of in de bodem kunnen worden toegepast. Het Besluit bodemkwaliteit kent een generiek en gebiedsspecifiek bodembeleidskader. De gemeente Utrecht heeft zoveel mogelijk het landelijk vastgestelde generieke beleid gevolgd. Alleen om belemmeringen voor hergebruik op basis van lokale omstandigheden zoveel mogelijk weg te nemen, is gebiedsgericht beleid geformuleerd. Dit beleid is vertaald in de geactualiseerde en gebiedsspecifieke Bodemkwaliteitskaart 2011-2021.
De Nota bodembeheer 2012-2022 gaat in op verschillende situaties van hergebruik van grond, zoals grond afkomstig van uitgezonderde gebiedsdelen en verdachte locaties evenals grond afkomstig van een andere gemeente. Er zijn procedures beschreven, bijvoorbeeld dat er door middel van vooronderzoek moet worden nagegaan of er sprake is van een lokaal afwijkende bodemkwaliteit. En dat het grondverzet, met uitzondering van enkele gevallen van kleinschalig grondverzet, moet worden gemeld aan het landelijke Meldpunt bodemkwaliteit, die dit dan doormeldt aan de gemeente Utrecht. Ten slotte zijn in de Nota bodembeheer de controle en handhaving van het opgestelde beleid beschreven.
Voor gemeente Utrecht is voor de volgende punten gebiedsgericht beleid ingevuld:
Daarnaast is bestaand beleid voortgezet:
In paragraaf 5.6 wordt ingegaan op de bodemkwaliteit van het plangebied.
Sportnota 2017-2020 'Utrecht sportief en gezond'
De Sportnota 2017-2020 is door het college op 29 augustus 2016 vastgesteld en wordt in december aan de gemeenteraad voor vaststelling aangeboden. Met een optimaal sport- en beweegklimaat in de stad wil de gemeente Utrecht bijdragen aan een gezonde leefstijl en daarmee aan een gezonde toekomst voor al haar bewoners. De Sportnota bevat zestien ambities, op het gebied van sportstimulering, sportaccommodaties, topsport en talentontwikkeling en sportevenementen.
Sportstimulering: Door sportstimulering wordt ervoor gezorgd dat nog meer mensen in de stad gaan sporten en bewegen. Het accent wordt gelegd op de buurten met de grootste achterstand in de gezondheid en in sportdeelname. De gemeente werkt hieraan door onder andere de samenwerking tussen sport en andere sectoren zoals gezondheid, welzijn, jeugd, onderwijs en werk en inkomen te versterken.
Sportaccommodaties: Een goede sportinfrastructuur vormt de basis voor een goed sportklimaat. Het aantal sportaccommodaties zal mee moeten groeien met de groei van de stad en het aantal inwoners. Hierbij wordt gestreefd naar een efficiënter gebruik van de accommodaties.
Topsport en talentonwikkeling: Utrecht ambieert een goed topsportklimaat, met aandacht voor ondersteuning van topsportvereningen en talentontwikkeling. Hiervoor werkt de gemeente samen met sportvereningen, sportorganisaties, onderwijs en het bedrijfsleven.
Sportevenementen: Topsport- en breedtesportevenementen wordt als middel gebruikt om zoveel mogelijk Utrechters kennis te laten maken met sporten en bewegen. Evenementen bieden een podium waarop talenten zich kunnen meten met de (inter)nationale top.
Met de ontwikkeling van de sporthal wordt bijgedragen aan het beperken van het tekort aan sporthallen.
Conclusie
De bouw van een nieuwe sporthal aan de Loevenhoutsedijk past in het gemeentelijk beleid.
Het gebied tussen Vecht en Brailledreef waar de Loevenhoutsedijk deel van uit maakt heeft een lange geschiedenis die verbonden is met de Vecht en het buitengerecht Lauwerecht. De Loevenhoutsedijk was onderdeel van de Sint Anthoniedijk die liep vanaf de Vecht naar het noordwesten en noorden. De datering van de dijk is veertiende-eeuws, maar wellicht ook ouder. Ook de verbinding over de Vecht, al eeuwenlang bekend onder de naam Rode Brug, dateert ook uit de middeleeuwen. Vooral langs de Vecht was al vroeg enige bedrijvigheid aanwezig (potten- en pannenbakkerijen) en ook bebouwing in de vorm van boerderijen en bijvoorbeeld het Anthoniegasthuis (gesloopt 1818). De naam Loevenhout is afkomstig van de boerderij annex brouwerij en herberg Het Loevenhoutje dat hier in ieder geval al in de 17e eeuw gelegen was. Een restant van met name de bedrijvigheid is nog zichtbaar in de witte loods van de 'Dakpannenfabriek Hoogelanden' op de hoek met de Anthoniedijk en de Loevenhoutsedijk, nu verbouwd tot kunstenaarsateliers.
Een andere belangrijke hoofdstructuur is de Hoofddijk, nu de Brailledreef. De Hoofddijk is omstreeks 1125 aangelegd als basis voor de ontginning van de veengebieden. De Hoofddijkse Wetering functioneert vanaf begin negentiende eeuw tevens binnen de Nieuw Hollandse Waterlinie als inundatiekade. De Hoofddijk en de Hoofddijkse Wetering vormde tevens de gemeentegrens tussen Utrecht en Achttienhoven.
In 1863 wordt de spoorlijn Utrecht Amersfoort aangelegd die met een ruime bocht door dit gebied loopt. Rond 1900 is de bebouwing langs de Anthoniedijk, Hoogstraat, Jagerskade en een deel van de Loevenhoutsedijk gegroeid met kleinschalige woonbebouwing van een vaak zeer bescheiden kwaliteit, afgewisseld met oudere boerderijen en bedrijvigheid. De rest van het gebied aan weerszijden van de gemeentegrens is in gebruik als hoveniers c.q. agrarisch gebruik. Een deel daarvan zou mogelijkerwijze ook in gebruik zijn als sportveld.
In 1948 wordt er een groot complex van de Stichting Volkswoningen gebouwd, genaamd het Anthonieplein. Dit complex is bedoeld als een zogenaamde woonschool waar 'onmaatschappelijke gezinnen' onder toezicht wonen. Het terrein is dan ook afgesloten met als toegang een beheerderswoning annex badhuis, nu Oude Loevenhoutsedijk 32. Als onderdeel van het naoorlogse plan Pijlsweerd worden twee straten aangelegd met duplexwoningen, de Jongeriusstraat, Van der Steenstraat en de Verheulstraat. Aan de overzijde van de weg wordt vanaf 1955 de rioolwaterzuivering aangelegd.
In 1954 vindt de grenswijziging plaats en vanaf begin jaren zestig wordt de wijk Overvecht aan de noordzijde van de Hoofddijk gebouwd. De Hoofddijk wordt getransformeerd tot onderdeel van de rondweg als Brailledreef. Ook het tracé van de Loevenhoutsedijk wordt gewijzigd om een betere verbinding te maken tussen Rode Brug en Overvecht. Een deel van de oude bebouwing (waaronder ook enkele oude boerderijen) wordt daarvoor gesloopt.
In 1970 wordt tussen het Anthonieplein en de rondweg een sportpark aangelegd (o.a. voor de SAMOS- korfbalvereniging). De woonschool Anthonieplein wordt in 1974 opgeheven en alle woningen worden vervangen door nieuwbouw. De meest recente nieuwbouw langs de Loevenhoutsedijk dateert uit circa 2011.
Afbeelding 5 en 6: Loevenhoutsedijk in de jaren '60, uitsnede kaart 1957
In het plangebied zelf zijn geen monumenten of cultuurhistorische waarden (naast de archeologische waarden) aanwezig.
Het sportpark wordt aan twee zijden begrensd (aan de zijde van de Hoogstraatbuurt en de Loevenhoutsedijk) door een watergang. Deze watergang maakt onderdeel uit van het watersysteem van Overvecht en mondt uiteindelijk uit in de Vecht. Aan alle zijden wordt het sportpark met groen en opgaande beplanting omzoomd. Rondom het sportpark (behalve aan de zijde van de Hoogstraatbuurt) liggen fietspaden die onderdeel uitmaken van het stedelijke fietsnetwerk.
Grenzend aan het plangebied bestaat de bebouwing van de Hoogstraatbuurt over het algemeen uit eengezinswoningen van twee bouwlagen en een kap. Grenzend aan het plangebied, aan de overzijde van de Loevenhoutsedijk ligt de rioolzuiveringsinstallatie (rwzi) Utrecht. Aan de overzijde van de Brailledreef ligt onder andere het Trajectum College.
Afbeelding 7 geeft de bestaande situatie weer. Op het sportpark bevinden zich verschillende sportverenigingen, zoals: een tafeltennisvereniging, een bridgevereniging, een voetbalvereniging en een korfbalvereniging. Voor deze verenigingen staan er meerdere gebouwen op het sportpark, waarvan het gebouw van de tafeltennisvereniging het grootste is. Tot slot staat er nog een gebouwtje bij de entree van het sportpark waarin buitenkleedkamers en bergingen zijn gevestigd. Het sportpark beschikt over velden voor voetbal (een wedstrijdveld en een oefenveld) en korfbal (een wedstrijdveld en een oefenveld/pupillenveld).
Het sportpark is bereikbaar via een smalle brug vanaf de Loevenhoutsedijk. Deze brug ontsluit een parkeerterrein dat centraal op het sportpark ligt. Op het terrein zijn momenteel circa 63 parkeerplaatsen aanwezig. Het fietsparkeren vind plaats op informele wijze rond de bebouwing.
Afbeelding 7: Bestaande situatie
De hoofdfunctie van het gebied is sport en de daarbij behorende ondergeschikte functies, zoals horeca (in de vorm van sportkantines). Daarnaast is beperkt ruimte voor buurtactiviteiten en een buitenschoolse opvang.
De sporthal biedt ruimte aan een volwaardige sportzaal (24x44 meter), kleedruimtes, een kantine en maatschappelijke functies. Deze sporthal wordt dubbelgebruikt door het Trajectum College, korfbalvereniging Synergo en andere sportaanbieders. De huidige bebouwing van de tafeltennis- en bridgevereniging en de voetbalvereniging worden gehandhaafd.
In de buitenruimte worden twee seniorenvelden (44x24 meter) en een jeugdveld (16x18 meter, inclusief uitloop) voor korfbal gerealiseerd. Daarnaast worden een voetbalveld (8.180 m2) en een oefenvoetbalveld (3.130 m2) behouden.
De inpassingsruimte voor de sporthal is beperkt, onder andere door een aanwezige rioolleiding, bestaande bebouwing en sportvelden en de wensen vanuit het gebruik van de sporthal (waaronder de wens van de korfbalvereniging om een kantine op de begane grond te situeren). De sporthal is zodanig gesitueerd dat deze centraal op het sportpark staat en het sportpark een groene uitstraling naar de omgeving behoudt. De ruimte aan de zijde van de Loevenhoutsedijk is beperkt. Om alle functies goed bereikbaar en zichtbaar te maken, en ruimte te creëren voor een goede entree en voorzijde van de sporthal is een nieuwe brug naar het sportpark nodig.
Bij de uitwerking wordt extra aandacht gevraagd voor de vormgeving van de zijde van de Loevenhoutsedijk, omdat dit de meest zichtbare zijde is van de sporthal. De eisen voor wat betreft de entrees en de transparantie komen hier uit voort, maar ook vanuit de wens om zichtrelaties mogelijk te maken tussen de sporthal en de entree van het sportpark en zo de sociale veiligheid te verbeteren. Voor de nieuwbouw van de sporthal zijn ruimtelijke uitgangspunten en de gewenste beeldkwaliteit op een rij gezet.
Onderstaand de ruimtelijke uitgangspunten voor de nieuwbouw van de sporthal.
Onderstaand de gewenste beeldkwaliteit voor de nieuwbouw van de sporthal.
Al met al wordt er ingezet op een efficiënt ingericht sportpark, met een heldere inrichting, waarbij de drukte en bebouwing zich concentreert aan de Loevenhoutsedijk en de randen een groen en open (sportvelden) karakter houden. De uitgangspunten zijn in afbeelding 8 weergegeven.
Afbeelding 8: Uitgangspuntenkaart
Er wordt ingezet op zo min mogelijk extra verkeersdruk. Aan de zijde van de Loevenhoutsedijk wordt naast de bestaande brug een nieuwe brug gerealiseerd voor de ontsluiting van het sportpark. Deze brug is nodig aangezien de sporthal alleen kon worden ingepast op de plek waar de huidige brug aanlandt. De nieuwe brug zal minimaal 3,5 meter breed zijn en dient als ontsluiting voor autoverkeer van het sportpark. De bestaande brug wordt gehandhaafd en krijgt een functie voor alleen langzaamverkeer (voetgangers en fietsers).
De groene omzoming van het sportpark wordt zoveel mogelijk gehandhaafd. Alleen rond de entree naar het sportpark aan de Loevenhoutsedijk wordt het zicht op het sportpark verbeterd. Het betreft hier het weghalen van onderbegroeiing. De buitenruimte rond de sporthal wordt ingericht in samenspraak met de sportclubs en wordt gebruikt ten behoeve van: terras, groen, bevoorrading, paden en verharding. Ook kunnen hier op piekmomenten auto’s worden geparkeerd.
Er wordt rekening gehouden met de auto- en fietsparkeernormen uit de nota Stallen en Parkeren zone B2: stedelijk gebied zonder betaald parkeren.
Parkeernormen | oppervlakte | norm | aantal pp |
sporthal (binnen), tafeltennisvereniging bestaand |
900 m2 bvo | 1,2 | 11 |
sporthal (binnen), nieuw |
1545 m2 bvo | 1,2 | 21 |
sportveld (buiten), ha. netto terrein, bestaand en nieuw |
1,35 hectare | 13 | 17 |
wijkgebouw, 100 m2 bvo* |
670 m2 bvo | 1 | 7 |
Totaal | 56 pp |
* De norm voor wijkgebouw is opgenomen voor de buurtactiviteiten en de buitenschoolse opvang.
Het stallen van fietsen wordt voorzien nabij de entrees van de verschillende gebouwen op het terrein. Bij de heririchting van het terrein zal het fietsparkeren een belangrijk aandachtspunt zijn. Conform de Nota Stallen en parkeren zullen op het sportpark voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Deze zullen zo zorgvuldig mogelijk worden ingepast.
Kader
Het doel van een milieu effect rapportage (m.e.r.) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming van plannen en besluiten.
Het maken van een milieueffectrapport (MER) of m.e.r.-beoordeling is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
In het Besluit m.e.r. staat omschreven welke activiteiten MER-plichtig (C-lijst) dan wel m.e.r.-beoordelingsplichtig (D-lijst) zijn. Echter ook initiatieven die onder de drempelwaarde van het Besluit m.e.r. vallen dienen kritisch bekeken te worden of deze belangrijke nadelige milieueffecten kunnen hebben. Indien dit het geval is dient hiervoor ook een MER of m.e.r-beoordeling te worden opgesteld.
Plansitutatie
Er vinden met dit bestemmingsplan geen activiteiten plaats die de geldende drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. overschrijden. Tevens zijn er, zoals blijkt uit onderstaande beschrijving van de milieuaspecten, geen andere factoren aanwezig die aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een MER en is gezien de aard, omvang en ligging van het project geconcludeerd dat er geen sprake is van aanzienlijke nadelige milieugevolgen.
Conclusie
Er hoeft voor dit plan geen MER of m.e.r.-beoordeling te worden gemaakt.
Kader
Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidsbelaste object – hiervoor kent de wet "geluidsgevoelige bestemmingen" zoals woningen en scholen.
De regels en normen van de Wet geluidhinder zijn in de volgende gevallen van toepassing bij het vaststellen van een bestemmingsplan:
De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidsgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan er een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidsbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidsgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Indien er gebruik wordt gemaakt van 'dove gevels', kan hierop een uitzondering worden gemaakt. De grenswaarden zijn voor wegverkeer 48-63 dB, voor spoorweglawaai 55-68 dB en voor gezoneerde industrieterreinen 50-55 dB(A).
Bij een geluidsbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde dient akoestisch onderzoek uitsluitsel te geven over de te verwachte geluidsbelasting en de doeltreffendheid van maatregelen om een overschrijding van grenswaarden te voorkomen. Onder bepaalde voorwaarden, die zijn vastgelegd in de gemeentelijke geluidnota, kan door burgemeester en wethouders een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting worden vastgesteld. De voorwaarden uit de Geluidnota Utrecht 2014 op basis waarvan een hogere waarde kan worden vastgesteld, zijn:
Iedere woning dient te beschikken over een geluidsluwe gevel;
Plansituatie
Er worden met de plannen voor sportpark Loevenhoutsedijk geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen gecreëerd. Er wordt een nieuwe brug aangelegd voor het autoverkeer. Deze brug ligt op grotere afstand van de woningen in de buurt van het sportpark. De verplaatsing van de brug heeft geen negatieve gevolgen voor gevoelige bestemmingen in de omgeving.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmeringen voor de ontwikkelingen op sportpark Loevenhoutsedijk.
Het plangebied ligt niet binnen de geurcontour van de Rioolwaterzuiversinstallatie aan de Brailledreef.
In de nabijheid van de sporthal Loevenhoutsedijk zijn geen risicobronnen waarmee rekening gehouden moet worden bij de realisatie van de sporthal. De sporthal zelf levert ook geen risico op ten aanzien van bestaande gevoelige objecten.
Kader
Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) geeft een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen, zoals bij bestemmingsplannen. Een bestemmingsplan kan worden vastgesteld indien:
Plansituatie
Het plan voegt een kleine hoeveelheid verkeer toe aan het verkeer op de Loevenhoutsedijk. De uitgevoerde berekeningen laten zien dat de uitbreiding van Sportpark Loevenhoutsedijk niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden. Hiermee wordt voldaan aan het gestelde in artikel 5.16 eerste lid, onder a van de Wet milieubeheer. De uitbreiding dragen NIBM bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit (artikel 5.16 eerste lid, onder d van de Wet milieubeheer).
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmeringen voor de ontwikkelingen op sportpark Loevenhoutsedijk. Voor meer informatie wordt verwezen naar de Beoordeling luchtkwaliteit in Bijlage
1.
Kader
Bij het bestemmingsplan dient getoetst te worden of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming:
Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning dient een bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden verricht. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek en/of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet rekening gehouden worden met nabij gelegen grondwaterverontreinigingen.
Plansituatie
Er is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (Nieuwbouwlocatie sportpark Loevenhoutsedijk, 4 oktober 2016, Ingenieursbureau Land). Uit het verkennend onderzoek blijkt een overschrijding van de interventie-waarde voor Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK). De grond is aanvullend onderzocht. De verontreiniging met PAK blijkt beperkt van omvang (2 m3). Er is geen sprake van een “geval van ernstige bodemverontreiniging”. Graafwerkzaamheden zijn geen “sanerende handelingen”. Graven kan dus zonder melding in het kader van de Wet bodembescherming.
Indien dieper dan 1,5 meter t.o.v. het maaiveld wordt gegraven en de veenlaag wordt afgevoerd moet deze nader onderzocht worden. Indien meer dan 50 m3 grond wordt afgevoerd moet wel een melding worden verricht (Artikel 28 Wbb).
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmeringen voor de ontwikkelingen op sportpark Loevenhoutsedijk. Voor meer informatie wordt verwezen naar het verkennend en aanvullend bodemonderzoek in Bijlage 2.
Kader
Het Groenstructuurplan Utrecht (vastgesteld door de raad in april 2007) heeft tot doel het verhogen van de kwaliteit van het stedelijk groen ten behoeve van de leefbaarheid van de stad. In het Groenstructuurplan zijn de bestaande en wenselijke stedelijke groenstructuren vastgelegd. Deze groenstructuren hebben zowel een landschappelijke, cultuurhistorische, recreatieve als ook ecologische functie. Het is op grond van dit Groenstructuurplan de bedoeling dat de kwaliteit van het groen in deze zones zich steeds verder ontwikkelt en verbetert. Veranderen van functie is alleen mogelijk na bestuurlijke afweging. Een afname van oppervlakte van de stedelijke groenstructuur dient te worden gecompenseerd.
In de Flora- en faunawet zijn verschillende verbodsbepalingen opgenomen om in het wild levende flora en fauna te beschermen. Het is verboden om dieren opzettelijk te verontrusten, te doden of hun rust- of verblijfplaats te verstoren of te beschadigen. Ook is het verboden om beschermde planten te beschadigen of van hun groeiplaats te verwijderen. De Flora- en faunawet legt daarnaast een algemene zorgplicht op voor alle (wilde) dieren en planten en hun directe leefomgeving.
Ruimtelijke ontwikkelingen en uitvoering van projecten of (bestemmings )plannen mogen niet in strijd zijn met de internationale richtlijnen of de Flora- en faunawet. Indien er een besluit wordt genomen op grond van de Wet ruimtelijke ordening waarbij de uitvoering van het besluit gevolgen kan hebben voor beschermde soorten, moet getoetst worden of beschermde soorten aanwezig (kunnen) zijn. Ook dient te worden bekeken wat de eventuele effecten van de activiteiten op de soorten zijn. De centrale vraag daarbij is of er een vrijstelling of een ontheffing nodig is op grond van de Flora- en faunawet. Dit is afhankelijk van de beschermingsgraad van de aangetroffen soort.
Bij het vaststellen van het bestemmingsplan dient van tevoren duidelijk te zijn dat de Flora- en faunawet niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan en dat eventuele ontheffing of vrijstelling zal worden verleend.
Plansituatie
Bureau Waardenburg heeft onderzoek verricht in het kader van de Flora- en fauna wet (Notitie quick scan beschermde soorten Loevenhoutsedijk 2 te Utrecht, 9 augustus 2016, Bureau Waardenburg BV). In het plangebied kunnen vogels tot broeden komen in de periode begin maart tot eind augustus. De kap- en bouwwerkzaamheden dienen buiten deze periode te worden uitgevoerd om te voorkomen dat verbodsbepalingen ten aanzien van vogels worden overtreden. Indien buiten deze periode wordt gewerkt, dient vooraf te worden vastgesteld dat de werkzaamheden niet kunnen leiden tot verstoring van broedende vogels cq. dienen maatregelen getroffen te worden om te voorkomen dat op de locatie vogels gaan broeden.
Het plangebied heeft in potentie betekenis voor enkele algemeen voorkomende soorten planten en zoogdieren. Hoewel de verwachting is dat de meeste provincies de vrijstelling voor licht beschermde soorten zullen handhaven, is daar nog geen zekerheid over en kan het zijn dat er na 1 januari 2017 een ontheffing nodig is. Concreet betekent dit dat als de geplande activiteiten voor 01-01-2017 worden gerealiseerd, er geen ontheffing nodig is voor nu nog licht beschermde soorten.
Het onderzoek sluit niet uit dat er rust- en verblijfsplaatsen van vleermuizen in de lage bebouwing van de te slopen sporthal zijn. De kans hierop wordt door de gemeente laag ingeschat omdat het om 1-laagse bebouwing gaat. De belangrijke verblijfplaatsen (kraam- en winterverblijfplaatsen) zijn bekend en als hier al een verblijfplaats zou zijn, is het eerder een paar- of zomerverblijfplaats voor enkele vleermuizen. Om te voorkomen dat de vaste verblijfsplaatsen van potentieel aanwezige vleermuizen worden geschaad zal in de nieuwe sporthal ruimte voor vleermuizen worden ingebouwd.
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmeringen voor de ontwikkelingen op sportpark Loevenhoutsedijk. Met de hierboven geschetste maatregelen wordt rekening gehouden met de aanwezige flora en fauna. Voor meer informatie wordt verwezen naar de quickscan flora en fauna in Bijlage 3.
Op het sportpark staan veel bomen. Het grootste deel van deze bomen staat langs de randen van het park en zorgt ervoor dat het park een groene uitstraling heeft. In het centrale deel van het park staat ook een aantal bomen. Ten behoeve van de bouwenvelop is een bomeninventarisatie gedaan, hierbij zijn alleen de bomen geïnventariseerd aan de zijde van de Loevenhoutsedijk en het centrale deel van het sportpark. Zie afbeelding 9 voor de bomeninventarisatie. De overige groene randen worden niet aangetast door de ontwikkeling van de sporthal.
Vanwege de ontwikkeling kunnen 16 bomen niet worden gehandhaafd door de plaatsing van de sporthal en de nieuwe brug.
Het gaat om de volgende bomen:
Als principe geldt dat als bomen niet kunnen worden gehandhaafd eerst gekeken moet worden of ze kunnen worden verplaatst en ze anders moeten worden gecompenseerd. De platanen en één meelbes zijn dunner dan 0,15 cm op borsthoogte waardoor deze niet vergunningplichtig zijn. Voor de platanen wordt toch gezocht naar een nieuwe locatie op het sportpark voor herplanting. De overige bomen die worden gekapt (maximaal 10) dienen op het sportpark gecompenseerd te worden. Bomen die geplant worden ter compensatie dienen inheemse soorten te zijn.
Afbeelding 9: Bomeninventarisatie
Kader
De waterparagraaf is een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan en vormt een wezenlijk element in het gehele watertoetsproces. Het fungeert als een instrument waarin de waterhuishoudkundige gevolgen van een plan inzichtelijk worden gemaakt, de gemaakte afwegingen expliciet en toetsbaar worden vastgelegd en het wateradvies van de waterbeheerder wordt opgenomen. Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem vroegtijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd. Voor het wijzigen van het bestemmingsplan is een dergelijk onderzoek vereist. Dit onderzoek moet uitwijzen of met de voorgestelde maatregelen (afkoppelen/ infiltreren hemelwater van bebouwing en openbare ruimte alsmede aanleg van ecologische oever) sprake is van toename van de verharding en extra waterberging nodig is.
Plansituatie
In het plangebied zal door de ontwikkeling van sporthal het verhard oppervlak toenemen met ca. 720 m2. In het gebied is geen ruimte om de waterberging te vergroten. De nieuwe parkeerplaatsen zullen worden uitgevoerd met waterpasserende stenen, zodat deze als 100% onverhard oppervlak worden gerekend. Hierdoor komt het totaal verhard oppervlak uit op 489 m2, dit is onder de ondergrens van 500 m2 waarbij compenserende maatregelen nodig zijn. Tevens wordt het hemelwater dat afkomstig is van het dakoppervlak geïnfiltreerd in de berm en een wadi.
Conclusie
Door het uitvoeren van bovenstaande maatregelen wordt een duurzaam en robuust watersysteem geïntegreerd. Voor de volledige waterparagraaf wordt verwezen naar Bijlage 4.
Kader
In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed.
Het Verdrag van Malta heeft in Nederland geresulteerd in een ingrijpende herziening van de Monumentenwet uit 1988, die op 1 september 2007 met de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht is geworden. Hiermee zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. In de nieuwe wetgeving is de bescherming van het archeologische erfgoed, de inpassing hiervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van het archeologische onderzoek geregeld. Op grond van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 moet een bestemmingsplan rekening houden met de archeologische resten in de grond. Om te kunnen bepalen op welke wijze de bestemmingsregeling rekening moet houden met de archeologie (artikel 38a Monumentenwet 1988) moet onderzoek, veelal bureauonderzoek, worden gepleegd. De resultaten daarvan worden beschreven in de toelichting van het bestemmingsplan, waarbij wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan bij moet dragen aan de bescherming van de archeologie.
Verordening en bestemmingsplan
De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente. In de verordening op de archeologische monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van het archeologische erfgoed, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In bestemmingsplannen wordt verwezen naar de verordening en een regel opgenomen (dubbelbestemming Waarde - Archeologie). In deze dubbelbestemming is opgenomen dat de voor Waarde- archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Met deze specifieke gebruiksregel wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg. Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig.
Gemeentelijke archeologische waardenkaart
De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de verordening op de archeologische Monumentenzorg. Deze waardenkaart is geënt op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) van de provincie en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting en gebieden van archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te sporen en zo nodig veilig te stellen.
Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Monumentenwet 1988 beschermd. Aantasting van de beschermde archeologische monumenten is niet toegestaan. Eventueel dubbel ruimtegebruik is mogelijk, mits de gekozen bestemming zich duurzaam verhoudt met de in het terrein aanwezige archeologische waarden. Voor dubbel ruimtegebruik is een vergunning krachtens de Monumentenwet vereist.
Gebieden van hoge archeologische waarde (rood) zijn gebieden waarvan bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar die niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Gebieden van hoge archeologische verwachting (geel) zijn zones waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek archeologische waarden te verwachten zijn (er wordt een middelhoge tot hoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Bij gebieden met een archeologische verwachting (groen) zijn de verwachtingen lager (er wordt een middelhoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Voor deze gebieden geldt de gemeentelijke Verordening op de Archeologische Monumentenzorg. Daarnaast zijn op de kaart witte gebieden aangewezen. Voor deze zones geldt geen verwachting en geen vergunningstelsel.
Plansituatie
Het plangebied bevindt zich op de gemeentelijke archeologische waardenkaart in een gebied waarvoor deels een archeologische verwachting (groen) en deels een hoge archeologische verwachting (geel) geldt, zie afbeelding 10. De archeologische verwachting (groen) is gebaseerd op de ligging op de stroomrug van de Vecht. De hoge archeologische verwachting (geel) is gebaseerd op de middeleeuwse Hooftdijkse Wetering. Dit is de eerste wetering die als afvoerkanaal in de eerste helft van de twaalfde eeuw is gegraven ten behoeve van de eerste ontginningsfase van het Oostveen. Gaande de ontginningen zich verder ontwikkelden werd deze wetering vanaf de abdij Oostbroek ook steeds verder westwaarts doorgegraven. Uiteindelijk eindigde de wetering in de Vecht bij ongeveer bij het huidige Nifterlake en fort De Klop.
Afbeelding 10: Uitsnede Archeologische Waardenkaart
Conclusie
Indien bij uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische zaken worden aangetroffen, dient conform artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 (herzien 2007) melding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. REO afdeling Erfgoed, gemeente Utrecht, 030-2863990 te worden gedaan.
Er is een KLIC-melding gedaan voor het plangebied. Er liggen verschillende leidingen in het plangebied (zie afbeelding 11). Parallel aan de Brailledreef ligt een grote rioleringsleiding door het plangebied, rond deze leiding dient een zone van 3,5m vrij te worden gehouden van bebouwing. Hiermee is bij de inpassing van de sporthal rekening gehouden. De sporthal wordt buiten deze zone gehouden.
Afbeelding 11: Kabels en leidingen
Sociale veiligheid
Bij de uitwerking van de sporthal wordt extra aandacht gevraagd voor de vormgeving van de zijde van de Loevenhoutsedijk, omdat dit de meest zichtbare zijde is van de sporthal.
De uitgangspunten voor de nieuwbouw van de sporthal bevatten onder andere punten met betrekking tot transparantie van de sporthal. Hiermee wordt de sociale veiligheid verbetert. Tevens wordt rondom de entree van het sportpark onderbegroeiing verwijdert om te zorgen voor meer zicht en sociale controle op het sportpark.
Verlichting en lichthinder
De velden op het sportpark zullen worden verlicht met lichtmasten van circa 18 meter hoog. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is een hoogte van 18 meter mogelijk. Met voorliggend bestemmingsplan is daarbij aangesloten. Op dit moment worden de sportvelden ook al verlicht door middel van lichtmasten.
Door het realiseren van goede en multifunctionele sportfaciliteiten in de buurt wordt het makkelijker voor mensen om te bewegen en te sporten. Het sportpark Loevenhoutsedijk ligt zeer dicht bij het centrum van Utrecht en is misschien wel het meest centraal gelegen sportpark in de stad. Een efficiënt gebruik van het sportpark is hier dan ook wenselijk. Het sportpark wordt in de nieuwe situatie zeer intensief gebruikt, zowel in de ruimte als in de tijd. Overdag heeft de sporthal een functie voor het (gym-)onderwijs, 's avonds en in het weekend wordt de hal gebruikt voor clubgebruik (met name korfbalvereniging). Hiermee draagt de bouw van de sporthal bij aan de gemeentelijke ambities voor gezonde verstedelijking.
Binnen Europa is afgesproken dat in stappen wordt toegewerkt naar een energieneutraal gebouwde omgeving. Eén van die stappen is de toepassing van de BENG-eisen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen). De gemeente Utrecht streeft ernaar al haar nieuwbouw (vooruitlopend op de wettelijke termijn) BENG te realiseren. Voor overheidsgebouwen zal dat ook eind 2018 de wettelijke minimumeis zijn.
Het BENG-gebouw wordt bereikt door maatregelen toe te passen op het gebied van o.a.:
Daarnaast worden gebruikers gestimuleerd om zuinig met energie om te gaan, te denken valt aan een informatiebord energiewinning versus verbruik in de entreehal (gebruikers kunnen energiewinning volgen). De marktpartijen worden uitgedaagd voorstellen te doen voor maatregelen waarmee aan de BENG-eisen wordt voldaan en met voorstellen te komen waarmee de energieprestatie mogelijk zelfs nog verder verbeterd wordt.
Het sportpark en de sporthal zijn eigendom van de Utrechtse Vastgoed Organisatie (UVO). De UVO is verantwoordelijk voor de realisatie van het sportpark en de sporthal. De kosten voor het opstellen van dit bestemmingsplan en de realisatie van de sporthal zijn opgenomen in de begroting van UVO, zodat de kosten gedekt zijn.
Gezien de in planologisch opzicht geringe ontwikkeling, het huidige gebruik van het perceel, de grote afstand ten opzichte van percelen van andere eigenaren is het niet aannemelijk dat er sprake zal zijn van planschade.
Het plan is aan een aantal instanties toegezonden voor reactie als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.
De VRU heeft op 10 januari 2017 aangegeven dat er uit een oogpunt van externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor dit plan en gewezen op bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid Brandweer bij de uitwerking.
De waterbeheerder heeft gewezen op een beschermingszone van 5 meter uit de watergang rond het complex. Deze is nu op de verbeelding en in de regels opgenomen. De toelichting is in paragraaf 5.9, Water, aangevuld als volgt: Tevens wordt het hemelwater dat afkomstig is van het dakoppervlak geïnfiltreerd in de berm en een wadi.
Het bestemmingsplan is op 22 december 2016 toegezonden aan de wijkraad Noord-west die heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben. Het bestemmingsplan is ook toegezonden aan de wijkraad Overvecht, die niet heeft gereageerd.
Op 16 november 2016 is een informatieavond georganiseerd. Hiervoor zijn omwonenden en andere betrokkenen van het gebied uitgenodigd. Tijdens deze informatieavond konden vragen gesteld worden of op- en aanmerkingen worden geplaatst.
Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker en draagt zo bij aan een effectiever en efficiëntere dienstverlening.
Het bestemmingsplan is gedetailleerd van aard en legt precies de omvang van de ontwikkeling van de sporthal vast en regelt waar wél/niet gebouwd mag worden. De concrete bouwplanvorming en de planologische procedure lopen gelijk op, waardoor de behoefte aan flexibiliteit beperkt is.
De opzet van de bestemmingsregels is steeds gelijk:
In deze paragraaf wordt per bestemming uitgelegd wat de achtergrond is van een bepaalde bestemming.
Een klein deel van de groenstrook rond het sportpark is meegenomen in dit bestemmingsplan omdat de toegang door middel van bruggen zal worden verbreed.
De bestaande rioolleiding is opgenomen in het plan met de gebruikelijke beschermingsregels.
De bestemming Sport is bedoeld voor sportvoorzieningen met bijbehorende voorzieningen zoals ondergeschikte detailhandel en additionele horeca. Gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak en de maximum bouwhoogte is opgenomen op de verbeelding. Buiten het bouwvlak zijn gebouwen van ondergeschikte aard zoals een fietsenstalling toegestaan. De maatvoering hiervan is opgenomen in de regels. Ook is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het in beperkte mate en onder voorwaarden bouwen buiten het bouwvlak.
Onder bij de sportactiviteiten behorende ondergeschikte detailhandel kan ondermeer verstaan worden de verkoop op beperkte schaal van sportkleding en sportartikelen.
Artikel 6 Waarde - Archeologie
De aanwezige archeologische waarden in het hele plangebied worden beschermd via de dubbelbestemming Waarde-Archeologie. Deze dubbelbestemming beschermt de archeologische waarden in het plangebied. Op grond van deze dubbelbestemmingen is voor activiteiten waarbij gegraven wordt, zoals bouwen en een aantal specifiek genoemde werken en werkzaamheden, een omgevingsvergunning nodig. Het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid of het verlenen van de vergunning is slechts mogelijk indien is aangetoond dat de te verrichten activiteiten de archeologische waarden niet zullen schaden.
Artikel 7 Waterstaat - Waterstaatkundige functie
De beschermingszone van 5 meter uit de primaire watergang rond het complex is met deze bestemming in het plan opgenomen en daarmee geborgd.
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels
Dit artikel regelt de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om af te wijken van de regels. Dit heeft primair tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Ze kunnen worden toegepast als er niet op grond van de bestemmingsregelingen in hoofdstuk 2 al een afwijkingsmogelijkheid is. Het gaat dan om een afwijking van maten, afmetingen en percentages, het plaatsen van objecten van beeldende kunst, het realiseren van kleine nutsgebouwtjes.
Artikel 10 Algemene bouwregels
Dit artikel regelt dit artikel de mogelijkheid voor (beperkte) overschrijdingen van bebouwingsgrenzen die op de kaart zijn aangegeven.
Voorwaardelijke verplichting over parkeren
Dit artikel regelt dat de parkeergelegenheid voor auto's en fietsen voldoet aan het gemeentelijk beleid. Het artikel neemt de functie over van de stedenbouwkundige bepaling in de bouwverordening die eenzelfde voorwaarde aan het gebruik stelt. Bij het toetsen van omgevingsvergunningen aan het bestemmingsplan, zal onderzocht worden of de aanvraag aan de voorwaarde om voldoende parkeergelegenheid te regelen voldoet. Het college heeft normen vastgesteld die aangeven wat als 'voldoende' moet worden beschouwd. In een bestaande situatie wordt de bestaande parkeergelegenheid voor auto's en fietsen als voldoende beschouwd. Deze bestaande parkeergelegenheid moet op grond van dit artikel in stand worden gehouden. Bij sloop- nieuwbouw wordt het bestaande aantal parkeerplaatsen (het rechtens verkregen niveau) in mindering gebracht op het aantal dat nodig is bij de nieuwe ontwikkeling, een en ander conform het geldende gemeentelijk beleid. Met parkeervoorzieningen worden parkeervoorzieningen voor auto's en fietsen bedoeld.
Artikel 11 Algemene gebruiksregels
De Wabo bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Een algemeen gebruiksverbod hoeft derhalve niet meer in de planregels te worden opgenomen. Het is wel mogelijk om in het bestemmingsplan aan te geven wat onder verboden gebruik in ieder geval wordt verstaan. In dit artikel is opgenomen dat onder verboden gebruik wordt verstaan: onbebouwde gronden te gebruiken als staanplaats voor onderkomens als opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en vaartuigen of onderdelen daarvan of als stortplaats voor puin en afvalstoffen.
Het gebruik of bouwen in strijd met het bestemmingsplan was vroeger onder de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening via een algemene gebruiksbepaling en strafbepaling geregeld in het bestemmingsplan. Onder de Wet ruimtelijke ordening was een en ander geregeld in de wet zelf. Met de invoering van de Wabo is dat opnieuw gewijzigd. Nu is het als volgt geregeld.
Voor elke verandering van gebruik (in ruime zin) die in strijd komt met een bestemmingsplan is volgens artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo een omgevingsvergunning nodig is. Indien voor een dergelijk planologisch strijdig gebruik geen omgevingsvergunning wordt gevraagd of een gevraagde vergunning niet wordt verleend, komt dit gebruik dus in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dat artikel kan vervolgens bestuursrechtelijk of strafrechtelijk via de Wet op de economische delicten worden gehandhaafd.
Strijdig gebruik met planologische regelingen waarvan afwijking niet is toegestaan valt niet onder artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Met het oog op dergelijk gebruik is in artikel 7.2 Wet ruimtelijke ordening een verbodsbepaling opgenomen bij de invoering van de Wabo.
Artikel 12 Algemene wijzigingsregels
Dit artikel regelt dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen. De overschrijdingen mogen niet meer dan 3 meter bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot.
Artikel 13 Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat een stuk grond dat al eens was betrokken bij het verlenen van een omgevingsvergunning bij de beoordeling van latere bouwplannen nogmaals wordt betrokken.
De overgangs- en slotbepalingen van hoofdstuk 4 bevatten de onderstaande 3 bepalingen.
In het nieuwe Besluit op de ruimtelijke ordening (in werking 1 juli 2008) is overgangsrecht opgenomen dat in elk bestemmingsplan moet worden overgenomen.
Indien de in het plan opgenomen regels. voor wat betreft gebruik of bebouwing, afwijken van een bestaande legale situatie, dan zijn daarop de overgangsbepalingen van toepassing. De overgangsbepaling heeft tot doel bestaande belangen te respecteren totdat realisering van de nieuwe regels plaatsvindt.
Voor bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, is bepaald dat deze gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande afwijking niet wordt vergroot. Gehele vernieuwing is in principe uitgesloten, waaronder ook gefaseerde vernieuwing van een bouwwerk wordt verstaan. Het doel van het overgangsrecht is dat het bestaande bouwwerk in de bestaande staat in stand mag worden gehouden. Uitsluitend na het tenietgaan van het bouwwerk door een calamiteit, waarmee onder andere brand of extreme weersomstandigheden wordt bedoeld, is onder voorwaarden gehele vernieuwing toegestaan.
Vergunningplichtige bouwwerken die zonder vergunning zijn opgericht, kunnen door overgangsrecht niet gelegaliseerd worden. Bouwen zonder vergunning is immers een overtreding van de Wabo die niet door een regeling in een bestemmingsplan ongedaan kan worden gemaakt.
Wel kan met een beroep op het overgangsrecht een aanvraag worden ingediend voor de verbouw van een illegaal bouwwerk. Om te voorkomen dat een dergelijke aanvraag moet worden gehonoreerd, is in de overgangsbepaling van dit plan opgenomen dat deze slechts van toepassing is op legale bouwwerken.
Voor het gebruik dat onder het overgangsrecht valt, is bepaald dat dat gebruik mag worden voortgezet. Het gebruik mag eveneens worden gewijzigd, voor zover de afwijking ten opzichte van het toegestane gebruik niet vergroot wordt.
Hiervoor is reeds aangegeven dat illegale bouwwerken niet gelegaliseerd kunnen worden door overgangsrecht. Voor gebruik is dat in principe wel mogelijk maar vanuit het oogpunt van handhaving ongewenst. Gezien het voorgaande is in de overgangsbepaling opgenomen dat het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, van het overgangsrecht is uitgesloten.
Ook na het van kracht worden van dit plan kan dus nog met succes handhavend worden opgetreden tegen gebruik dat reeds in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan. Dit laatste is uiteraard mede afhankelijk van andere aspecten, waaronder de vraag of het strijdige gebruik reeds zolang plaatsvindt dat de gemeente haar rechten heeft verwerkt.
In dit artikel is de naam van het bestemmingsplan, de citeertitel, omschreven.
Prostitutie
In het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen seksinrichtingen gevestigd met een vergunning op basis van de APV. Gezien het in Utrecht gehanteerde maximumstelsel zijn nieuwe seksinrichtingen niet toegestaan en zijn seksinrichtingen uitgesloten in de gebruiksbepaling en in de begripsbepaling "aan huis verbonden beroep en bedrijf". Gelet op het binnen de gemeente gehanteerde maximumstelsel betekent de regeling in dit bestemmingsplan geen algeheel verbod, maar wel een verbod op seksinrichtingen binnen dit plangebied.
Door handhaving controleert de overheid of burgers, bedrijven en bijvoorbeeld overheidsorganen zich aan de wet- en regelgeving houden. Onder handhaving wordt verstaan het door controle (toezicht en opsporing) en het toepassen (of dreigen daarmee) van bestuursrechtelijke sancties, bereiken dat het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift wordt nageleefd. De handhaving van de van toepassing zijnde regeling binnen de gemeente Utrecht, wordt uitgevoerd door diverse diensten en afdelingen. Zo wordt namens het college onder andere gehandhaafd op de regels van voorliggend bestemmingsplan. Dit betekent dat de regels voor wat betreft het gebruik en de bebouwingsregels worden gehandhaafd. Dit gebeurt veelal door toetsing tijdens het behandelen van de aanvragen om omgevingsvergunning, maar kan ook gebeuren als gevolg van toezicht tijdens de uitvoering van de bouw of op grond van een eigen constatering indien een bouwwerk of een perceel in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt. Indien er bijvoorbeeld sprake is van illegale ingebruikname van gemeentelijke grond, dan zal hiertegen worden opgetreden.
Doel handhavend optreden
Het doel van het handhavend optreden van de gemeente is niet direct gekoppeld aan de noodzaak van een actueel bestemmingplan. Voor de bewoners van het plangebied is duidelijk waar zij aan toe zijn (qua bouwen, zoals bijvoorbeeld uitbreiding van de woning, en qua gebruik), maar het niet handhaven haalt de effectiviteit van een actueel bestemmingsplan onderuit. De toegevoegde waarde van het verlenen van een omgevingsvergunning voor een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is niet groot, indien er op andere plaatsen - zonder vergunning - vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn geplaatst. Dit wordt nog eens problematischer zodra een omgevingsvergunning wordt geweigerd, terwijl diverse vergelijkbare bouwwerken reeds illegaal zijn geplaatst. In dit laatste geval is de roep om handhavend op te treden dan ook het grootst.
Wijze van handhaven
Op grond van de Algemene wet bestuursrecht heeft het college een tweetal instrumenten bij handhaving van bestemmingsplannen tot haar beschikking: bestuursdwang en dwangsom. Bij het toepassen van bestuursdwang wordt de overtreding (het geconstateerde illegale bouwwerk dan wel gebruik) ongedaan gemaakt op kosten van de overtreder. Dit kan betekenen dat een bouwwerk door de gemeente wordt afgebroken en de kosten van bijvoorbeeld de aannemer en de gemeentelijke (voorbereidings)kosten op de overtreder worden verhaald. Het is tevens mogelijk om, indien er zonder omgevingsvergunning wordt gebouwd en de bouw wordt stilgelegd door middel van een bouwstop, de bouwmaterialen weg te slepen en elders op te slaan. Het opleggen van een last onder dwangsom betekent bijvoorbeeld dat het illegale gebruik moet worden gestaakt binnen een door het college gestelde termijn. Overschrijdt men de termijn, dan zal de dwangsom in rekening worden gebracht bij de overtreder. Doel van de dwangsom is het onaantrekkelijk maken van het voortzetten van de geconstateerde overtreding. De dwangsom zal dan ook in relatie moeten staan aan (en zal derhalve altijd hoger zijn dan) het voordeel dat de overtreder heeft bij het voortzetten van de illegaliteit. In het plangebied zal handhavend worden opgetreden tegen het illegale gebruik van bouwwerken en percelen. Bijvoorbeeld het verhuren van opslagruimte ten behoeve van de stalling van caravans, maar ook het gebruik van een winkel als café. Verder zal er bij de bouw worden gecontroleerd op de uitvoering van verleende omgevingsvergunningen. Uiteraard zal er ook gecontroleerd worden of, in het geval van een geweigerde omgevingsvergunning voor een woning, de betreffende woning niet alsnog wordt gebouwd. Voorts zal de gemeente toezien op - onder de Wet milieubeheer vallende - bedrijven. Dit vloeit voort uit de regels van het bestemmingsplan. Indien er immers ter plaatse een bedrijfsactiviteit plaats mag vinden, zal dit qua gebruik (intensiteit en hinder) gehandhaafd worden.